dinsdag 2 juni 2009

steen

Niet mijn handen toch
toch mijn handen
gevoelloos alsof ik langzaam
verschelp tot een naast mij
levend wezen

Ik schop tegen een steen
met mijn dode voet

Deed hij ooit anders?

zaterdag 1 november 2008

En nu naakt, de hypostase?

Marcel Duchamp, Nu descendant un escalier, 1912, Philadelphia, Museum of Art
De introductie van de gedachte ‘contractie’ doet recht aan de vaststelling dat de perceptie een zicht geeft op een gebeurtenis, een proces dat bij nader toezien blijkt uiteen te vallen in een aaneenschakeling van zichzelf opvolgende miniem-bewuste momenten en uiteindelijk een beeld geeft van een vibrerende ‘realiteit’.

Blijft de vraag of dit zicht van opeenvolgende beelden volstaat als besluit over de sublimiteit van de materie. Het was niet zo moeilijk om aan te nemen dat er meer achter de voorstelling zat dan onze ascetische manier van zien vaststelt. Afgezien van onze pittoreske interesse in de materie kunnen we ons ook een minder gespecialiseerde gedachte voorstellen die een specifieke appel laat verglijden in een gedachte ‘de appel’.

Algauw lijkt het mogelijk te worden om het op die manier te hebben over ‘de appel door de eeuwen heen’ - ik overdrijf - op die manier begint zich daadwerkelijk het ding op zich af te tekenen. De differentiëlen lijken er te bevriezen in een voorbedacht totaalbeeld, een corporalisatie.


Immanuel Kant, dodenmasker,  Humboldt-Universität zu BerlinImmanuel Kant, Walhalla Denkmal,  Regensburg







vrijdag 31 oktober 2008

voorgevoelen

Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer, 1818, Kunsthalle, Hamburg.
De perceptie is spijtig genoeg synthetisch en we zitten daar dus met het verkeerde alaam. Dat terwijl - ha, we kunnen het weten hé – het zo zou moeten zijn dat we zouden moeten kunnen anticiperen. Er zou iets moeten zijn wat de kwalitatieve onderscheiden, die ons innerlijk bewustzijn typeert, overstijgt.

Anticiperen, dat is zoiets als een dreigend onweer en de veronderstelling die daarbij hoort dat er a) iets als een onweer dreigt en b) dat onweer in meer of mindere mate toe zal slaan. En gelijk zien we: er is iets loos met die gradaties. Tussen gradatie nul en gradatie x van onweer is een tijd verlopen waar op elk moment een synthese mogelijk was.

Maar… we zijn ons daar dan nog niet bewust van. En bewust worden, dat hangt samen met kwalitatieve dinges: weet je nog toen de bliksem insloeg op het tuinhuis? Inderdaad, we zien de bui hangen.

Als we dat schema overzetten op het bewustzijn, zien we dat tussen gradatie nul ervan en het ‘bewust-zijn’ een tijdsverloop vibreert die niet uitdrukbaar is in eenheden, maar in differentiëlen. “Ik ben bewust”… is op die manier om zo te zeggen een lachertje.

En dan hebben we meteen een ander ‘zicht’ op de perceptie, zijnde het totaal van de differentiëlen die op het ding op zich slaan. En hier zullen we, ook al zou dat dan bij wijze van experiment zijn, iets als het vóórbewustzijn moeten introduceren.

zondag 26 oktober 2008

Anti-ciperen? eens wat woordjes afbreken…

Dmitri Hochstatter, Circuit in the Sky, Acrylic, charcoal, graphite, paint pen on paper, California, 2006.
Laat ons be-scheiden blijven. Dat bescheiden blijven lijkt trouwens zeer kantiaans. Laat ons kantiaans blijven, dus, maar met de ambitie om uit te vlooien hoe dat nu zit met de ken-baarheid van het op zichzelf-zijnde. (En dan meteen ook maar be-kennen dat de contractie er geweest is, we hebben het geweten, we zijn dus niet on-be-voor-oordeeld...)

Fijn! Daarom dan ook die terug-keer, niewaar. En daar vinden we, op onze terugweg, die ascetische visie op de dingen. Uiterst origineel vonden we die, in elk opzicht, die bergsoniaanse ascetische visie, die op zich al een terugkeer in zich draagt: het ideetje daarrond is al ingegeven door de gedachte dat zoiets bestaat als de materie-op-zich.

Maar wat betekende die ascetische kijk nu? Niks. Gewoon dat de vorm van de materie gesteld wordt in de materie zélf. De synthese is er dus puur materieel en de voor-stelling van de kwestie was er een waar de handen thuis gehouden worden: er wordt met name geen enkele synthese aan de materie toe-gevoegd.

Anders dus met die samengebalde herinnering, waar de perceptie klaarblijkelijk iets als een temporele compressie introduceert, een soort ontstaansgeschiedenis van kwaliteiten die zich stellen. Op die manier lijkt het alsof we wel nooit de natuur van de materie op zich zullen ont-dekken – we zijn blijkbaar opgesloten binnen de limieten van die synthese.

Eadweard Muybridge: Woman walking downstairs

maandag 20 oktober 2008

de voorstelling van zaken, ahum!

We zullen het geweten hebben! Een tweede visie dringt zich op omdat we het geweten hebben. En het is dan nog precies in die samengebalde herinnering dat zoveel verloren gaat zolang we niet zien dat het om vibrerende materie gaat, onnodig om te zetten in kwalitatief onderscheid. Als ware het een poging om met die inkleuring de wereld te veranderen.

En die tweede visie, daar kan die interceptie voor staan natuurlijk. Er is niets wat verbiedt om op basis van de gefacetteerdheid van de materie een breder beeld te zien, om af te zien van pittoreske kwaliteiten en de beschouwing te laten gewennen aan tijd en ruimte.

Dat was dan ook meteen de theorie rond het ding op zich: dat ging over alle mogelijke zichthoeken op dat ding. Een verdomd verschil: samenballen of zich terugtrekken in de beschouwing zonder er met onze fikken aan te zitten.

donderdag 16 oktober 2008

ein Glanz auf die Nase


De flux verwijst naar de heterogeniteit van de materie, het gaat daar dus zowel over kwantiteit als kwaliteit – wat maakt het uit. De flux is dus alvast relativerend, uiteindelijk gaat het 'slechts' over iets als ein Glanz auf die Nase - pfff, een vlugge indruk tussenin. Een indruk, indrukken tenslotte die een rol gaan spelen in de 'samengebalde herinnering'. Maar daarin wordt die én ontmaskerd, én tegelijk ligt daar het recht om het over een samengebalde herinnering te hebben.

Eigenlijk valt het al veel eerder uiteen, maar we blijven ons beroepen op dit recht. De gekleurde perceptie bevat bovendien ook veel andere beelden ook al blijkt dat vreemd genoeg niet tot homogeniteit te leiden. Hieruit kunnen we afleiden dat ons zicht op de wereld blijkbaar de wereld verandert.

Het pittoreske karakter van onze visie kan dus de bedenking oproepen dat net daarom de kwaliteit op de duur geen rol meer speelt: hetgeen we van de perceptie overhouden en wat het ding op zich bij ons oproept, dat is slechts het ensemble van al die invalshoeken, genomen op de materie. En als de materie dan ‘op gaat lichten’, als ze geïsoleerd onder ogen genomen wordt, dan pas beroepen we ons op homogeniteit. Een terugkeer bovendien naar de pure perceptie en de mechaniek die we er vonden. Maar dan een terugkeer... met een heterogene lading.


Eadweard Muybridge, horse gallop, 1904

dinsdag 14 oktober 2008

plus est en vous

Urs Fischer Courtesy of Gavin Brown's Enterprise New York 2007Urs Fischer Courtesy of Gavin Brown's Enterprise New York 2007Urs Fischer Courtesy of Gavin Brown's Enterprise New York 2007
Probleemtje dus, maar als we het goed overwegen zien we dat de samengebalde herinnering zo’n beetje de kwaliteit uitmaakt van de perceptie, hetgeen niet het geval was bij de rappèl-herinnering. Bij het voorbeeld van de lectuur vonden we al een soort dissociatie, een travestie van herinnering en perceptie.

Stel dat we terug zouden keren naar een pure perceptie zonder samengebalde herinnering, een machinaal - en niet te vergeten ascetisch - kennis nemen: een appel is een appel is een appel, de siempliestiese litanie. Inderdaad, we zoeken die dissociatieve kracht die ons doet zeggen ‘er zij licht’, tegen het stereotypische oudewijvenkoor in dat licht ook maar licht vindt.

En die travestie valt bovendien niet te beschrijven ook, het bilan bleek niet te verwoorden. Maar kom, we halen de spreuk Plus est en vous maar eens van stal en constateren samen met Bergson dat de materie niet anders is, maar méér dan de voorstelling. De verdienste van die gedachte is immers groot.

En kijk, op die basis verzamelden we het alaam om verder te kunnen zien dan de spreekwoordelijke neus lang zou zijn (ik begin waarlijk goed te worden in platitudes).

De materie is heterogeen, wat betekent dat ze niet enkel kwantitatief, maar ook kwalitatief is. Een appel is niet zo maar een appel. Er zijn appels die je niet eens aan een paard zou durven geven, grote, kleine, rode, gele, groene, wormstekige… Whatever. Dat soort mededeling noemen we de flux.

Bovendien blijkt daar nog een interceptie te kùnnen zijn. Een tussenkomst die uiteindelijk niks toevoegt aan het beeld tenzij ze het beeld isoleert. Jawel, uitzonderlijk maakt.

maandag 13 oktober 2008

en nu siempliesties



De ontspanning van de samengebalde herinnering (dit lijkt nu toch écht iets voor de amateurs van de hedonische depressie) Bergson noemt het détente en ergens anders (L'évolution créatrice, 1907) slaat dit begrip op de limiet van het creatief élan. Daar zal de siempliestiese tijdsgeest dus vast opgezet mee zijn. Over op hapklaar? Laat ons eerst en vooral prakties blijven.

Helaas we gaan hier achterwaarts vooruit. Die détente is er op gericht om de perceptie van de materie bijgevolg als in een soort bilan te ontdoen van tijdelijke en subjectieve indrukken. Vandaar, de rekening moet kloppen. Hier dus ook omgekeerd.

Empirisch bezien wordt gezegd dat de herinnering een verflauwde vorm van perceptie zou zijn, slechts een verschil in gradatie dus. Wat er eventueel op zou wijzen dat een intense herinnering niet van een flauwe perceptie te onderscheiden zou zijn?

Maar wàt veroorzaakt volgens Bergson nu die ontspanning? Oppervlakkig bezien (en daar is echt niets op tegen) zou elke ‘ontspanning’ immers neerkomen op een vertraging. We zitten immers met twee categorieën: perceptie en herinnering. Perceptie gaat dus eventueel over kleur, herinnering zal die dan meer of minder laten schitteren of zo?

Hier klopt dus iets niet, want, pakweg de hoogste tonen kunnen afgespeeld worden op het traagste ritme, de laagste tonen op het hoogste ritme. Bovendien is het dan nog gekend dat bij verveling de tijd zich voortsleept, bij interesse vliegt ze voorbij.

zondag 12 oktober 2008

Licht!

Hieronymus Bosch, De tuin der aardse Lusten, centraal paneel, ca 1500, olie op paneel, Madrid Prado
Nu we het toch over de perceptie hebben, pokend in de paleontologie van de eerste verzen van de Genesis, valt mijn oog op we ruach elohim merachefet al pene hamajim. Rààr geformuleerd, dat tweede gedeelte van het tweede vers. ‘En de geest van Elohim zweefde over het aangezicht van de wateren’. Het lijkt wel poëtisch, maar geen goe nieuws? De tohoebawohoe daarvoor, de Irrsal und Wirrsal, leek al te wijzen op een troosteloos tableau.

Maar zo vonden we ook de materie, het beeld zonder diepgang. De herinnering dwaalde over het oppervlak van de materie. Hoewel, het gaat dan wel om een ruach, een samengebalde, bergsoniaanse herinnering. Het moment vóór de beslissing. Dat zegt alles over de aan-dacht voor de materie en het feit dat geen rappèl, geen stereotypie uit het verleden die aandacht laat dichtslibben.

Tweede lectuur dus, nu met het licht aan.

donderdag 9 oktober 2008

das Andenken

Aeneas at the gate of hell, Virgilius, Dryden
Bij de lectuur van Matière et mémoire zijn we al zo ongeveer ingelicht over het slagveld van de materie, maar wat maakt nu eigenlijk dat ons oog op iets valt, dat we hoe dan ook iets ‘over-houden’ aan ons project de perceptie. De indruk kan ontstaan dat Bergson er àl te zeer het zien, de perceptie, laat samen-vallen met het bekeken object.

Vanzelfsprekend gaat het vanaf hier over de herinnering. Blijkt dat spijtig genoeg (tja, wat betreft de hedonische aard van onze depressies hé) nogal een complex gegeven te zijn waarbij perceptie en herinnering op de duur niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Bergson geeft het voorbeeld van de lectuur, een ware travestie, waarbij men vanaf de eerste tekens overgaat op het projecteren van beelden uit de herinnering.

Opvallend is dat actieve, spontane engagement dat zich er stelt. We nemen geen genoegen met een passieve parade van tekens, één voor één. En daar merken we al meteen - buiten het spontane engagement - een herinnering van de tweede garnituur, waarlijk secundair, een herinnering die een veelheid van momenten samenbalt.

En kijk toch - wat een elegantie - we bewegen ons hier achterwaarts in de redenering: die secundaire herinnering die de perceptie doordrenkt is niet langer degene die het heden bezenuwt langs een rappèl van de herinnering uit het verleden, maar degene die het heden zèlf construeert. Het is namelijk een samengebalde herinnering die alle tekenen heeft van contractie van verschillende momenten van onmiddellijke perceptie.

Hoe kort het moment van perceptie ook is, er zal toch steeds een bepaalde tijdsduur over gaan en bijgevolg ook een inspanning van de herinnering. Die contractie die zich daar stelt, het lijkt er op dat Bergson hier de waarlijk subjectieve kant aan de kennis van de dingen opgedolven heeft.

woensdag 8 oktober 2008

יְהִי אוֹר

Eén der mooiste, meest gelukte vertalingen van de eerste zinnen van de Genesis vinden we bij Buber en Rosenzweig:

Im Anfang schuf Gott den Himmel und die Erde.
Die Erde aber war Irrsal und Wirrsal.
Finsternis über Urwirbels Antlitz.
Braus Gottes schwingend über dem Antlitz der Wasser.
Gott sprach: Licht werde! Licht ward.
Gott sah das Licht: daß es gut ist.
Gott schied zwischen dem Licht und der Finsternis.
Gott rief dem Licht: Tag! und der Finsternis rief er: Nacht!
Abend ward und Morgen ward: Ein Tag.

Mooi, en dat gaat niet enkel om Irrsal und Wirrsal, waarin we de alliteratie van tohubawohu terugvinden.

Bon, maar we zien even naar Gen. 1:3 en daar vinden we wajomer Elohiem jehie 'or, wajehie 'or, namelijk een vorm van het onregelmatige werkwoordje ‘zijn’ in een imperatief. Jehie 'or is zoveel als ‘er weze licht’… En nu hebben we plots misschien de indruk een open deur in te stampen met het vervolg: ‘licht was’ of 'er zal licht zijn' of, nogmaals (?) 'er weze licht'?

ascese

Katsushika Hokusai, De grote golf bij Kanagawa, ingekleurde houtsnede, 1823-1829
Voilà, het lichaam is dus een soort autovoorruit voor de geest, want die geest, dat is zogezegd het bezige gedeelte in het lichaam. Ma non troppo, want het zicht is op het oneindige en een chiée aan informatie dringt zich op, presenteert zich daar bij het minste wat zich voordoet.

Het lichaam verwerft zijn eindigheid dus langs het afslaan van dat oneindige aanbod, langs een massale désinteresse voor het reële. Het is ook pas op het moment dat het lichaam erin slaagt om bijna de totaliteit van het aanbod af te slaan dat er sprake kan zijn van zoiets als een vrije keuze.

Wat een slagveld ondertussen. Er is dus sprake van twee selecties: die van het lichaam - de perceptie - en die van de geest, die al stukken minder uitdunnend zal zijn. Het lichaam selecteert een eindig aantal opties, terwijl een oneindig aantal beelden voorbijgaan zonder een spoor na te laten, de geest kiest een optie onder een eindig aantal opties die eveneens mogelijk zijn.

Tiens, bij Kant vinden we dat de perceptie de materie voorschotelt aan een soort subjectieve vorm. Dat zou weliswaar niet moeten kunnen kloppen vermits die ‘verbinding’ - de vorm - integraal tot de materie behoort. Trouwens, de perceptie verbindt niet, maar ontbindt, ze verrijkt de materie niet, maar vermindert ze. Bij Bergson is de perceptie geen synthese, zoals bij Kant, maar een ascese.

dinsdag 7 oktober 2008

deductie? reductie?

Magritte, Représentation, 1934
De zuivere perceptie is reducerend. In het geheel van de beelden die zich voordoen lijkt niets speciaals te gebeuren tenzij dan door middel van een bepaald soort beeld waarvan het type geleverd wordt door het lichaam.

Iets ‘afleiden’ - deduceren - uit iets anders - een groter geheel - het lijkt me toch nogal speciaal. En dan ga ik naar iets als de moederbuik en zeg: roep me je naam. En – uiteraard - ik hoor mezelf mompelen: “ik zal zijn wie ik zal zijn”. In een dergelijke normaliteit spelen de dingen zich af.

Mijn lichaam is een beeld, werkzaam als de andere beelden, centrum van actie en niet een bron van voorstellingen. Het is niet door een toevoeging, een meerwaarde, maar door een afhouding, een reductie dat we van materie tot perceptie overgaan.

Minder dus. Het zien is het vermogen om aan het oppervlak van het beeld te blijven maar ook het vermogen om het beeld een oppervlakkige toekomst te geven. Bij de zuivere perceptie is het drieluik dicht.

Wat het lichaam mogelijk maakt is dus het eindige, het begrensde. En, hoe raar dat ook mag lijken, zelfs een massale onverschilligheid in verband met hetgeen zich voordoet. Tenzij, uitzonderlijk, voor een paar minuscule facetten ervan.

maandag 6 oktober 2008

Immanentie: de grove lijnen

Hieronymus Bosch, De tuin der aardse Lusten, ca 1500, olie op paneel, Madrid, Prado
Er is een relatie tussen wat we zien, de perceptie, en verschillende ‘beeldtypes’ die verschillende acties in onze hersenen veroorzaken. Er zijn er die actie, er zijn er die affectie of herinnering veroorzaken. Dat laatste soort spreekt de tijdslagen in ons geheugen aan. We leven dan wel in de tijd, maar volgens Bergson (Matière et mémoire) moet dat niet worden gezien als een opeenvolging van verleden, heden en toekomst, maar als het coëxisteren ervan. Bovendien is het zo dat elke persoon op elk moment alles wel kàn herinneren, maar dat hersenen en zenuwstelsel ons beschermen tegen dit overaanbod door irrelevante informatie uit te ziften.

Het zou dus neerkomen op een soort reconstructie wanneer we een ‘realistisch’ beeld in het vizier krijgen? We zijn hierbij gefixeerd op het verkrijgen van een coherent model? In dat geval zal het dus gaan om een… gereduceerd model. Maar wat zegt dat dan: dat het zijn misschien wel méér is, maar niet ànders. Quant à Kant zegt dat heel veel, want op die manier wordt ontkend dat er zoiets zou bestaan als een uiterst geheimzinnig Ding an sich, zogezegd verschillend van het fenomeen.

Het project van Bergson gaat dus om de eenvoudige vaststelling dat er minder in de perceptie zit dan in de voorstelling, door de perceptie wordt iets aan de voorstelling onttrokken.

zondag 5 oktober 2008

dilemma's

Hieronymus Bosch, De schepping van de wereld, buitenpanelen triptiek De tuin der aardse Lusten, Madrid, Prado
Je vasthouden aan iets. Een mogelijkheid. Je zou dat fenomeen op de duur (ik zeg maar iets) ‘ietsisme’ kunnen noemen. En dan voldaan achterover leunen.

Maar goed, de vertaler Chouraqui vond een Je serai qui je serai en dat is dan eerder een ietszalzijnofzalnietzijnisme. Geen vertaling die de Lampes van de wereld ontziet.

Anderzijds, we weten van een noodzaak, maar we gaan dat nu eens, bevrijd van eender welk imperatief, - Ornament ist verbrechen - wat loskoppelen.

Om uiteindelijk het antwoord te kunnen vinden op de vraag “Is er een god?” bouwde men op de duur een super, supercomputer. Bij het opstarten stelde men de vraag onmiddellijk.
Het antwoord: “Nu wel, ja”.