maandag 29 september 2008

vrijheid en amnesie

Goya, Los Caprichos 37, ¿Si sabrá más el discípulo?, 1799
Geweld is zowaar de tegenpool van ‘vrijheid’.
Grof gezien is vrijheid een verlangen en geweld in die zin hetgeen het verlangen blokkeert.
Beschamend slechte keuze dus… geweld blokspot!
Vreemd nochtans want zelfs een despoot ontkent apert de onvrijheid van zijn regime.
Het klachtenbureau is er in beste geval een prison. Raar. Maar daar kan iedereen tenminste op beide oren slapen? Dat weze een te verwaarlozen detail?
Hier hangt iets in de lucht. Een nevelig, etherisch vermoeden misschien?
Of net niet, want dat etherische kan ook een perfect schaamlapje zijn wanneer we trouw aan diezelfde despotische traditie vroom en zelfbewust gaan beweren dat wanneer we spreken het geweld tenminste nog opgeheven wordt. Wat een geluk mag zijn, de blokkade weggenomen, leve de vrijheid!
Hoezo? Een stupiditeit laat zich al eens meer op elegante manieren ‘kennen’, voorbijgaand aan het feit dat het net door het spreken is dat een realiteit zich kan laten kennen als ontoelaatbaar, mank, vals… en er daardoor - integendeel - eerder geweld opwekt. Het wezen van de taal is immers bewust te maken.
Maar daar heeft de tegenstander van geweld dan het volgende op gevonden: het fucking beschaafde gesprek! X – 1. Onverdacht anti-geweld bijvoorbeeld. Geweldloosheid. Je kunt er blindelings op vertrouwen.
Vandaar het beleefde talent om kwetsende zaakjes te vergeten, buiten beschouwing te laten.
Het heeft consequenties, maar… zien we ze wel? Het fundamentele geweld van de taal heeft onze sensibiliteit al in een bepaalde zichtshoek gezet.
Misschien moeten we de taal maar eens gaan kastijden zodat ze de waarheid vertelt?
Maar och, de realiteit is steeds tolerabel geweest.
Wees zo vrij dat aan te nemen.