donderdag 9 oktober 2008

das Andenken

Aeneas at the gate of hell, Virgilius, Dryden
Bij de lectuur van Matière et mémoire zijn we al zo ongeveer ingelicht over het slagveld van de materie, maar wat maakt nu eigenlijk dat ons oog op iets valt, dat we hoe dan ook iets ‘over-houden’ aan ons project de perceptie. De indruk kan ontstaan dat Bergson er àl te zeer het zien, de perceptie, laat samen-vallen met het bekeken object.

Vanzelfsprekend gaat het vanaf hier over de herinnering. Blijkt dat spijtig genoeg (tja, wat betreft de hedonische aard van onze depressies hé) nogal een complex gegeven te zijn waarbij perceptie en herinnering op de duur niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Bergson geeft het voorbeeld van de lectuur, een ware travestie, waarbij men vanaf de eerste tekens overgaat op het projecteren van beelden uit de herinnering.

Opvallend is dat actieve, spontane engagement dat zich er stelt. We nemen geen genoegen met een passieve parade van tekens, één voor één. En daar merken we al meteen - buiten het spontane engagement - een herinnering van de tweede garnituur, waarlijk secundair, een herinnering die een veelheid van momenten samenbalt.

En kijk toch - wat een elegantie - we bewegen ons hier achterwaarts in de redenering: die secundaire herinnering die de perceptie doordrenkt is niet langer degene die het heden bezenuwt langs een rappèl van de herinnering uit het verleden, maar degene die het heden zèlf construeert. Het is namelijk een samengebalde herinnering die alle tekenen heeft van contractie van verschillende momenten van onmiddellijke perceptie.

Hoe kort het moment van perceptie ook is, er zal toch steeds een bepaalde tijdsduur over gaan en bijgevolg ook een inspanning van de herinnering. Die contractie die zich daar stelt, het lijkt er op dat Bergson hier de waarlijk subjectieve kant aan de kennis van de dingen opgedolven heeft.