
Nu we het toch over de perceptie hebben, pokend in de paleontologie van de eerste verzen van de Genesis, valt mijn oog op we ruach elohim merachefet al pene hamajim. Rààr geformuleerd, dat tweede gedeelte van het tweede vers. ‘En de geest van Elohim zweefde over het aangezicht van de wateren’. Het lijkt wel poëtisch, maar geen goe nieuws? De tohoebawohoe daarvoor, de Irrsal und Wirrsal, leek al te wijzen op een troosteloos tableau.
Maar zo vonden we ook de materie, het beeld zonder diepgang. De herinnering dwaalde over het oppervlak van de materie. Hoewel, het gaat dan wel om een ruach, een samengebalde, bergsoniaanse herinnering. Het moment vóór de beslissing. Dat zegt alles over de aan-dacht voor de materie en het feit dat geen rappèl, geen stereotypie uit het verleden die aandacht laat dichtslibben.
Tweede lectuur dus, nu met het licht aan.
