maandag 2 januari 2012

apolis, impolitesse?

27 maart 2008


Voor Heidegger was het duidelijk dat het Dasein, vertrekkend vanuit een familiaire, huiselijke limiet (die Grenze des Heimischen) die limiet ook moet overschrijden om op een authentieke manier te kunnen bestaan. Met de heroïsche transgressie van het conventionele zal de creatieve mens (letterlijk: der Gewalt-tätige) ook de consequenties van die transgressie moeten nemen: de aanvallen van de me kalon, van degenen die ‘zijn’ ontbreekt, das unseiende

Het Dasein is gestructureerd als een nood, een wil of zelfs een weigering… In die zin gebruikt Heidegger ook het begripdas Unheimliche. Als de reactie van het koor in de Antigone van Sophocles een hupsipolis apolis weergeeft - een niet enkel verbaasde maar ook angstige verwondering - suggereert hij dat het daar – de polis is het da van het Dasein - om dat standpunt gaat, hupsipolis apolis hotoi to me kalon, het zonder huis zijn (voor zover al een neiging zou bestaan dat hier als inciviek, ja impoli te vertalen, platweg 'onbeleefd' dus). Heidegger vertaalt het ongeveer als ‘hoog uitrijzend boven de plaats is hij ervan uitgesloten’.
Aporos: geen uitweg, apolis: geen plek.

Maar vanuit het zijn bekeken is die apolis, die openheid (bof, desnoods onbeleefdheid dus) een noodzaak. Het zijn heeft die niet-plaats nodig als plaats om overweldigend te kunnen verschijnen.

Dat zou dan nog buiten beschouwing laten het einde van het koorlied: Dat hij nooit naast mij aan de haard zit / en nooit met mij dele zijn wanen mijn weten,/ hij die zoiets in het werk stelt.

Een pleidooi voor bezonnenheid, beleefdheid? 

0 reacties: